Discussie biogrondstoffen verschuift van ‘of’ naar ‘hoe’
Discussie biogrondstoffen verschuift van ‘of’ naar ‘hoe’

Vorige week woensdag organiseerde BioBased Circular een deepdive over biogrondstoffen, samen met zo’n 20 experts uit overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Op het Community Event van 22 april werd het onderwerp gepresenteerd in een parallelsessie. Centraal stond de vraag: hoe bouwen we aan duurzame, efficiënte en economisch verantwoorde ketens voor biogrondstoffen richting fossielvrije chemie en materialen?

Op basis van twee aankomende rapporten, opgesteld door Wageningen Food & Biobased Research in opdracht van BBC over de beschikbaarheid van biogrondstoffen in NL en EU en over de conversies technologieën ervan naar Biopolyesters, ontstond een scherp en soms stevig gesprek. Een aantal inzichten sprong eruit:

Zo blijkt de beschikbaarheid van biogrondstoffen in Europa geen fundamentele beperking voor de productie van biobased polyesters. Het gebruik van biogrondstoffen voor polyesters blijft relatief beperkt en is naar schatting 2,5–3,5 keer lager dan voor olefinen zoals PE en PP. Naast deze hoge grondstofefficiëntie bieden polyesters ook sterke recyclingmogelijkheden, wat de vraag naar virgin grondstoffen verder verlaagt.

Juist vanuit deze hoge grondstof- en recyclingefficiëntie is het relevant om polyester materialen te overwegen. Hoewel biogebaseerde polyesters momenteel vaak nog duurder zijn dan fossiele alternatieven, is er nog aanzienlijk ontwikkelingspotentieel. In tegenstelling tot uitontwikkelde ketens voor PE, PP en PET, kunnen kosten van deze relatief jonge materialen de komende jaren nog substantieel dalen richting concurrerende prijsniveaus.

Tegelijkertijd werd breed gedeeld dat biogrondstoffenproductie kansen biedt voor een robuuster verdienvermogen in de landbouw én voor Europa om minder afhankelijk te worden van (import van) fossiele koolstof.

Ook meer gevoelige onderwerpen kwamen op tafel. Het gebruik van primaire gewassen voor materialen werd door velen gezien als verdedigbaar en zelfs noodzakelijk voor de transitie naar circulaire koolstofstromen – een lijn die recent ook door de EIB wordt ondersteund.

Daar tegenover staat dat het huidige beleid en de incentives een ongelijk speelveld creëren, waardoor optimale inzet van biogrondstoffen volgens cascading-principes in de praktijk niet van de grond komt. Terwijl dit juist een van de kernboodschappen is uit het SER-rapport Biomassa in Balans.

De vraag naar biogrondstoffen zal richting 2040 en 2050 sterk toenemen en vraagt om een systemische en strategische inzet op Europees niveau, waarin voedselzekerheid en toegang tot duurzame koolstof hand in hand gaan. Met het oog op de lange termijn was er brede consensus dat lignocellulose uiteindelijk de belangrijkste bron wordt voor non-food toepassingen. Tegelijkertijd ligt de sleutel in het hier en nu: het opbouwen van infrastructuur, mogelijk in samenhang met de groeiende vraag vanuit de biofuel-sector (zoals SAF).

Daarbij werd ook benadrukt dat de transitie naar tweede generatie biogrondstoffen alleen slaagt als deze actief wordt gestimuleerd – bijvoorbeeld via incentives vergelijkbaar met RED III.

De sessie leverde ook concrete vervolgstappen op:
–  verkennen van ruimte voor suikerproductie binnen Nederlandse bioraffinage
–  samen met de landbouwsector onderzoeken waar kansen liggen voor nieuwe verdienmodellen rondom biobased polyesters

Kortom: de discussie over biogrondstoffen verschuift van “of” naar “hoe”. De uitdaging ligt nu in het maken van scherpe keuzes en het organiseren van de juiste randvoorwaarden.